top of page

Een pleidooi voor minder tips aan kleuterleerkrachten

  • Foto van schrijver: Thibaut Duthois
    Thibaut Duthois
  • 25 apr
  • 4 minuten om te lezen

Stel je voor: een dag met 24 kleuters. Er moet gespeeld worden, geleerd worden, getroost worden. De ene kleuter heeft zijn vriendje gebeten. De andere kleuter wil absoluut de rode krijtjes. En ergens in die hectiek moet jij,  de kleuterleerkracht,  ervoor zorgen dat je elk kind in de gaten hebt en dat elk kind taalkansen krijgt. Klinkt eenvoudig? Nee. Is dat wat we verwachten van kleuterleraren? Ja, dat ... en nog veel meer.


Na maanden van onderzoek, oogbewegingen volgen in kleuterklassen, wil ik het even hebben over iets wat tot hiertoe onderbelicht bleef. Niet de cijfers. Niet de grafieken. Maar de kleuterleerkrachten zelf. Wat denken zij? Hoe ondersteunen we hen?


Wat wijst ons onderzoek uit?

Laat me beginnen met iets dat weleens vergeten wordt: kleuterleerkrachten weten wat goede taalstimulering is. Echt waar. Ze kennen de strategieën. Taalaanbod betekent rijke, complexe zinnen gebruiken. Taalruimte betekent kinderen kansen geven om zelf te praten en open vragen stellen. Feedback geef je door kleine foutjes subtiel te verbeteren, door ze correct te herhalen of uit te breiden.


Onze kleuterleraren zijn hoogopgeleide, sterke professionals. Na meer dan 80 kleuterleraren te bezoeken in hun eigen klas de afgelopen jaren kan ik met de hand op het hart zeggen: Kleuters zijn in goede handen.

Toch is er nog groeipotentieel in het voeren van taalstimulerende gesprekken. Ons onderzoek bijvoorbeeld – waarin de ogen van leraren weggeven tegen wie zij spreken – wijst uit dat taalstimulerende gesprekken niet gelijk verdeeld worden over kinderen. En net de kinderen die er de meeste nood aan hebben, vallen het snelst uit de boot.


Hoe komt het dat steeds dezelfde kinderen uit de boot vallen?

Niet door onverschilligheid. Wanneer we leerkrachten vroegen waarom ze de ene kleuter meer in het vizier hadden dan de andere, klonk het zo:

"Dit kind helpt de les vooruit."

"Deze kleuter wil ik niet voor de leeuwen gooien."

"Met deze kleuter heb ik een rijk gesprek, daar kunnen de andere kleuters iets van oppikken."

"Deze kleuter wordt thuis niet zo vaak gestimuleerd, dus ik ga die nu niet plots heel erg uitdagen."

"Deze kleuter redt mij van de stilte."


Goede bedoelingen, stuk voor stuk. Deze ideeën kruisen vliegensvlug de gedachtegang van een leraar wanneer in een fractie van een seconde moet worden beslist aan welke kleuter een vraag gesteld wordt of wie aan de beurt mag komen. Wie gaat naar de boekenhoek, wie speelt in de autohoek? Deze kleine beslissingen volgen elkaar razendsnel op. Maar wanneer deze beslissingen steeds dezelfde kinderen centraal in de klasdynamiek plaatsen en andere aan de periferie, leidt dit onvermijdelijk tot ongelijke taalontwikkelingskansen.


Ons onderzoek maakt onderscheid tussen twee manieren van aandacht verdelen. Niet-intentionele aandacht wordt gestuurd door wie opvalt: “wie praat, wie beweegt, wie de stilte vult”. Intentionele aandacht is bewust: “met wie wil ik vandaag aan de slag? Wie heeft er vandaag nood aan 1-op-1 interactie?” Niet intentionele aandachtsverdeling zorgt voor de wet van de taalsterkste. Wie heeft de woorden of durft woorden te gebruiken om kansen naar zich toe trekken? En wie zit erbij en kijkt ernaar?


Wat kunnen we doen?

De vraag die me de afgelopen maanden het vaakst gesteld werd, is: "Wat kan een leerkracht hier zelf aan doen?"


Wat helpt, weten we: niet-intentionele aandacht ombuigen naar intentionele aandacht. En daarvoor is maar één ding nodig, namelijk tijd en ruimte voor reflectie. Als we aan duurzame bewustwording willen werken moet een leraar in de klas de kans krijgen om zichzelf cruciale vragen te stellen: wie heb ik vandaag nog niet gehoord? Met welke kleuter wil ik volgende week aan de slag? Leraren geven heel duidelijk aan dat met de huidige leraar-kind ratio en de veelheid aan verwachtingen van een kleuterleraar hier simpelweg geen tijd voor is.


Maar, wat we vaak vergeten is, die tijd en ruimte moet ook structureel ingebed zijn in de praktijk van kleuterleraren.  We kennen de evidence-based strategieën die daarbij horen: bij je collega’s op bezoek kunnen en zo leren van elkaar (collegiale visitaties), maar ook elkaar confronteren met wat onzichtbaar blijft. Jezelf filmen en daarover reflecteren zodat je je eigen onbewuste patronen leert kennen (videoclubs).


Echter, die cultuur van reflectie en professionalisering blijkt vandaag nauwelijks aanwezig in kleuterscholen. En het beleid faciliteert dit onvoldoende.

Geen tips meer

Wanneer ik die aanbeveling geef, namelijk tijd en ruimte voor leerkrachten, kijken mensen me soms onvoldaan aan. "Ja, maar wat kan een leerkracht vandaag doen? Geef eens vijf concrete tips."


Ik begrijp die vraag. En toch vind ik ze niet onschuldig.


Want elke keer als we na een onderzoek vijf tips formuleren voor kleuterleerkrachten, leggen we de uitdaging ook bij hen. Alsof ze nog net die ene tip te kort hadden. Alsof ze het nog niet helemaal wisten.

Maar dat strookt niet met wat we zien. Wanneer leerkrachten bewust en intentioneel handelen, kennen ze de meeste tips al lang. Logisch, want dit zijn niet alleen hoogopgeleide professionals maar ook ervaringsdeskundigen in het omgaan met kleuters.

Volgens mij moeten mijn onderzoeksresultaten niet geïnterpreteerd worden vanuit wat leerkrachten nog extra kunnen doen of leren. Het is de realiteit die in de weg staat. Grote klassen, hoge verwachtingen, weinig ruimte voor reflectie. Dat duwt leerkrachten op automatische piloot. Van prikkel naar prikkel. Wie praat, krijgt aandacht. Wie stil is, creëert geen prikkels en ontvangt minder leerkansen.


Ik heb in het verleden zelf ook tips gegeven: varieer met groepjes, wissel van beurtverdeling, geef de stille kleuters via preteaching een voorsprong zodat zij straks de ster kunnen zijn. En ik herhaal ze hier graag. Maar eigenlijk wringen ze. Want, beste kleuterleerkracht, ik heb die tips van jullie geleerd. Waarom doe ik dan alsof jullie ze nog niet kenden?


Onderwijsongelijkheid of onbenutte kansen tot taalontwikkeling zijn niet het resultaat van de tip te weinig.

Dus neen, ik wil geen concrete tips geven.


Want ik wel zal doen, is het systeem blijven in vraag stellen en de vraag blijven stellen of onze verwachtingen naar kleuterleraren wel realistisch zijn. Faciliteert het systeem onze leraren of werkt het tegen hen?


En onthoud: als je me toch ergens concrete tips ziet geven, weet dan dat ik die van de kleuterleraren zelf geleerd heb.


Deze blog maakt deel uit van TACOS, een project van UGent, KU Leuven, Odisee Hogeschool en Arteveldehogeschool rond de competenties van kleuterleraren om taalstimulerende interacties te organiseren. www.tacos-project.be

 
 
 

Opmerkingen


Contact

Opvoeden doen we samen is een

initiatief van de Universiteit Gent

Universiteit Gent

Faculteit Psychologie & Pedagogische Wetenschappen

Henri Dunantlaan 2

B-9000 Gent

Professor Jochen Devlieghere

Jochen.Devlieghere@UGent.be

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

© 2035 by Opvoeden doen we samen, een initiatief van de UGent

bottom of page