Opvoeden in armoede
- Caroline Vandekinderen en Griet Roets

- 3 dagen geleden
- 5 minuten om te lezen
Die schoolagenda moet elke dag ondertekend worden. Maar wat als ouders niet kunnen lezen of schrijven? Dan wordt een kind al snel als ‘problematisch’ beschouwd.”, aldus een brugfiguur die een brug probeert te slaan tussen de school en het gezin.
Het lijkt een klein detail uit het schoolleven. Maar het legt een bredere spanning bloot: hoe we naar opvoeding kijken, en vooral wat we daarin (niet) zien. Ons onderzoek met een diversiteit aan sociale professionals die werken met gezinnen in armoede in een gedepriveerde Gentse wijk legt bloot dat opvoeden nooit in een vacuum plaats vindt en onlosmakelijk verbonden is met de (materiële) omstandigheden (inkomen, tewerkstelling, huisvesting, ...) waarin gezinnen leven. Toch worden die omstandigheden opvallend vaak naar de achtergrond geduwd.
Armoede als blinde vlek in opvoeding
Hoewel veel sociale professionals dagelijks werken met gezinnen in armoede, blijft armoede zelf vaak onderbelicht in hoe problemen worden begrepen en aangepakt. In de literatuur wordt dit omschreven als “poverty blindness” (Krumer-Nevo, 2016; Cummins, 2018): armoede is zo alomtegenwoordig aanwezig dat ze paradoxaal genoeg onzichtbaar wordt. De metafoor armoede als het behangpapier van de praktijk” (McCartan et al., 2018) vat deze armoedeblindheid treffend samen.
Daardoor verschuift de focus gemakkelijk naar het individueel gedrag van ouders en kinderen. Problemen worden dan geïnterpreteerd als een gebrek aan vaardigheden, motivatie of betrokkenheid, eerder dan als een gevolg van structurele ongelijkheid.
Een zorgcoördinator verwoordde het scherp: “Voor veel ouders is school belangrijk. Maar nog belangrijker is de vraag: hebben we morgen eten? Hebben we een dak boven ons hoofd?”
Deze spanning raakt aan wat onderzoekers de individualisering of pedagogisering van sociale problemen (Roets, Roose, & De Bie, 2013) noemen: maatschappelijke ongelijkheid wordt vertaald naar individuele verantwoordelijkheid en sociale problemen worden herleid tot opvoedingsproblemen.
Wanneer armoede wordt gelezen als falen
Dat heeft concrete gevolgen. In de praktijk zien we hoe armoede soms wordt verward met onwil van of zelfs verwaarlozing door ouders of opvoedingsverantwoordelijken.
Een moeder die haar kind in een kwartier te vroeg voor de deur van de (op dit moment nog gesloten) kinderopvang achterlaat, riskeert als onverantwoordelijk te worden bestempeld. Maar haar verhaal ontsluit een complexere realiteit: een vroege werkshift, lange verplaatsingen met openbaar vervoer omdat ze haar eigen auto niet kan bekostigen, een opvang die niet aansluit bij haar werkuren, en geen sociaal netwerk waarop ze kan terugvallen. Waardoor ze geen andere optie ziet dan haar kind een kwartier onbewaakt achter te laten bij de crèche.
Dergelijke situaties illustreren wat armoede-onderzoek al langer aantoont: armoede is geen individueel falen, maar een structureel probleem dat diep verweven is met een gebrek aan gezinsinkomen, huisvesting, arbeidsmarkt en sociale bescherming (Lister, 2004).
Ongelijke uitgangsposities, gelijke verwachtingen
Tegelijk blijven de verwachtingen ten aanzien van ouders vaak uniform, ongeacht de condities waarin opvoeding plaatsgrijpt: betrokkenheid bij school, emotionele beschikbaarheid, structuur in het dagelijks leven. Dergelijke verwachtingen vertrekken impliciet vanuit een middenklassenorm, waarin tijd, ruimte en stabiliteit min of meer vanzelfsprekend zijn. Maar wat betekent “rust en regelmaat” in een klein appartement zonder buitenruimte? In een buurt waar spelen op straat niet veilig is? Waar het stapelbed de enige studeerplek is? Waar onvoeldoende ruimte is voor een eettafel waar het hele gezin samen aan kan plaatsnemen?
Een professional verwoordde het zo: “Die moeder zit in de zomer met vier kinderen in een klein appartement. Dan is het logisch dat ze haar peuter zo lang mogelijk in de opvang laat.”
Wat hier zichtbaar wordt, is geen gebrek aan zorg, maar een voortdurende zoektocht naar haalbaarheid binnen beperkte mogelijkheden.
Het risico is dat opvoeding zo een morele maatstaf wordt, waarbij ouders impliciet worden beoordeeld op hun vermogen om te voldoen aan normen die niet voor iedereen haalbaar zijn.
Anders kijken: van oordeel naar omstandigheden waarin ouders en kinderen overleven
Tegenover deze hegemonische tendens van armoedeblindheid (Garrett, 2024) staan sommige sociale professionals die bewust proberen om situaties anders te begrijpen vanuit de leefwereld van gezinnen. Ze brengen de bredere omstandigheden in beeld: gezinsinkomen, werk, huisvesting, mobiliteit, sociale netwerken. Dat betekent niet dat ze problemen minimaliseren, maar wel dat ze ze anders kaderen.
Een kinderopvangverantwoordelijke paste bijvoorbeeld de openingsuren informeel aan om beter aan te sluiten bij de realiteit van werkende moeders. Een sportcoach haalt kinderen thuis op omdat ouders niet over vervoer beschikken. Een hulpverlener gaat mee naar afspraken het OCMW omdat administratieve systemen te complex zijn.
Dit soort praktijken sluiten aan bij wat in onderzoek een leefwereldgerichte en armoedebewuste benadering wordt genoemd (Grunwald & Thiersch, 2009): niet vertrekken van de vermeende “tekorten” bij ouders, maar van de omstandigheden waarin zij handelen.
Door aandacht te hebben voor de materiële situatie, de relaties en de leefomgeving van gezinnen, leggen ze de nadruk op de structurele problemen die gezinnen in armoede gevangen houden.
Zo maken ze duidelijk dat de verwachtingen van instanties vaak botsen met de dagelijkse realiteit van deze gezinnen.
Kansen creëren in plaats van tekorten corrigeren
Daarnaast zien we hoe professionals de toekomstgerichte mogelijkheden van kinderen en ouders proberen te verruimen. Ze werken eraan om “kansrijke omgevingen” te creëren: plekken die hoop en verbeelding stimuleren, in plaats van armoede te benaderen vanuit een moraliserende en verwijtende blik.
In buurten waar kinderen weinig toegang hebben tot vrijetijdsactiviteiten, worden bewust laagdrempelige initiatieven opgezet: sport, jeugdwerk, creatieve activiteiten.
“Die jongen komt elke week een uur te vroeg naar de circusschool. We praten, oefenen wat taal… dat uur betekent veel voor hem.”, aldus een jeugdwerker.
Dergelijke initiatieven maken zichtbaar wat onderzoek al langer benadrukt: aspiraties van kinderen en jongeren zijn niet louter individueel, maar worden gevormd door de mogelijkheden die mensen ervaren in hun omgeving (Appadurai, 2004; Baillergeau, Duyvendak, & Abdallah, 2015).
Generalistisch werken voorbij de grenzen van silo’s
Een schrijnend voorbeeld: twee broers verliezen beide ouders en worden dakloos, omdat het huurcontract van de sociale woning niet automatisch werd overgezet en ze de procedure niet kenden. De school bleek niet op de hoogte van de situatie. Hun reactie luidde: “Wij doen school, geen huisvesting.”
Dit illustreert hoe bepaalde systemen sterk georganiseerd zijn in aparte domeinen die opereren vanuit een silo-mentaliteit en afgebakende kernopdracht, terwijl de realiteit van gezinnen net gekenmerkt wordt door verweven problemen. Daarom pleiten veel professionals voor een meer generalistische en samenwerkende aanpak, waarin aandacht is voor verschillende levensdomeinen tegelijk: onderwijs, welzijn, huisvesting, gezondheid (Blom, 2004; Perlinski, et al., 2010).
Van hulp naar politisering
Sommige praktijken gaan nog verder en zetten de stap van individuele hulp naar maatschappelijke verandering.
Wanneer slechte woonomstandigheden collectief worden aangekaart, of wanneer mensonwaardige situaties uit de praktijk worden gebundeld om beleid te beïnvloeden, verschuift de focus.
Armoede wordt dan niet langer gezien als een probleem van individuele gezinnen, maar als een kwestie van sociale onrechtvaardigheid.
Dit sluit aan bij een groeiende oproep binnen sociaal werk om opnieuw expliciet politiserend te werken: structurele oorzaken benoemen, ongelijkheid zichtbaar maken en bijdragen aan publiek debat (Weiss-Gal, 2017; Van Bouchaute et al., 2022).
Opvoeden doen we samen – maar hoe?
Deze inzichten roepen fundamentele vragen op. Als we erkennen dat opvoeden sterk bepaald wordt door materiële en sociale omstandigheden, wat betekent dat dan voor de manier waarop we ouders ondersteunen? En welke verantwoordelijkheid ligt bij professionals, maar ook bij beleid en samenleving?
Misschien ligt de uitdaging precies daar: niet alleen kijken naar hoe ouders hun kinderen opvoeden, maar ook naar hoe wij als samenleving de omstandigheden creëren waarin opvoeden mogelijk wordt.



Opmerkingen