Werkbaar werk in de kinderopvang
- Dietlinde Willockx

- 3 dagen geleden
- 5 minuten om te lezen
Toen ik werkte als kinderbegeleider vond ik maandag de zwaarste dag. Na twee dagen thuis, een lange periode in een babyleven, met de mensen die kinderen het meest vertrouwd zijn, komen ze weer terecht in een groep. Hoe jonger de kinderen, hoe moeilijker de overgang, merkte ik in de babygroep. Maar ook oudere kinderen vonden maandag moeilijk, bijvoorbeeld als een vaste begeleider ziek was en de vroege shift voor een invaller was. Ook voor die invaller is maandag dan de zwaarste dag. Die invaller was ik.
Niet weten maar voelen
Natuurlijk had ik dat kunnen bedenken zonder te werken als kinderbegeleider. En niet alleen ik. De mechanismen zijn logisch en herkenbaar voor wie regelmatig omgaat met jonge kinderen, al gaan ze ongetwijfeld niet op voor elk kind.
Toch is het nog wat anders om je in de positie te bevinden van de begeleider.
Aan die positie denken we meestal in algemene termen, onder meer in functie van de kwaliteit van de kinderopvang en recenter ook uit bezorgdheid vanwege de te beperkte instroom in het beroep van kinderbegeleider. En dankzij protesten, die regelmatig in de pers kwamen, en een parlementaire onderzoekscommissie naar de veiligheid van de kinderopvang, kwam de begeleider-kindratio in beeld, een concept dat intussen breed bekend is.
Door mijn werk als hoofd van onderzoekscentrum Pedagogie in Praktijk waar we onder meer de jobbeleving van kinderbegeleiders onderzochten, wist ik bovendien dat er erg veel aspecten zitten aan de werkbaarheid van de job. Maar weten is niet hetzelfde als ervaren.
Ik wist dat dat de job van kinderbegeleider zwaar is maar ik wist niet hoe die zwaarte voelde. En dat laatste wilde ik achterhalen.
Dus nam ik een jaar loopbaanonderbreking en solliciteerde bij kinderdagverblijven op een haalbare afstand van mijn woonplaats. Ik ben de organisaties die mij aanwierven nog steeds dankbaar voor het warme onthaal en voor de kans om die ze mij boden, wetende dat ik mijn ervaring niet voor mezelf zou houden.`
Het was nooit mijn bedoeling om specifieke kinderopvangpraktijken te beschrijven, of onderzoek te doen naar kwaliteit van opvang of de beleving van de kinderen. Het werk interesseerde mij, in al zijn aspecten, de heel werkbare en de moeilijk werkbare. En dat werk in de context van de betekenissen die betaald werk krijgt in onze maatschappij.
In wetenschappelijke termen zou je mijn onderneming een auto-etnografie kunnen noemen, een studie waarin de onderzoeker iets te weten komt over een praktijk of situatie door die zelf te ervaren. Natuurlijk heeft die aanpak beperkingen. Het is mijn ervaring van de job, bijvoorbeeld, niet die van anderen. Maar door te analyseren hoe mijn persoonlijke ervaring verschilt van mijn ervaring in de jobs die ik tevoren deed, kon ik beleidskeuzes over de organisatie van kinderopvang tastbaar maken.
Ik geef een voorbeeld: de moederschapsrust is in Vlaanderen kort. Dat betekent dat er veel jonge baby’s zijn in de kinderopvang. Tegelijk worden moeders aangemoedigd om zo lang mogelijk borstvoeding te geven. Algemeen wordt het belang van melkvoeding sterk beklemtoond, als voornaamste energiebron voor kinderen jonger dan een jaar. Hoewel ouders op verschillende manieren omspringen met dergelijke adviezen, merkte ik dat velen graag lang melkvoeding geven.
Toen ik in de babygroep onze tijdsbesteding uittelde, bleek een van de drie voltijdse eenheden volledig op te gaan aan flesjes geven. Ik merkte daarnaast dat de druk in de verticale groepen toenam naarmate er meer kinderen jonger dan negen maand waren. Vanwege de flesvoeding, maar ook omdat die kinderen alleen door de, dikwijls langdurige, nabijheid van een volwassene de slaap konden vinden.
Zo merk je dat de keuze voor de beperkte moederschapsrust en de evoluerende voedingsadviezen een verregaande invloed hebben op werkbaarheid.
Het betekent ook dat je in een leefgroep met veel baby’s weinig ruimte hebt om op te gaan in een activiteit, iets wat in al mijn andere jobs juist de norm was.
Samenleven
Die en andere bevindingen over werkbaar werk heb ik omgezet in een boek, dat niet wetenschappelijk is opgezet maar eerder journalistiek. Het bevat zes beschouwingen, over concrete aspecten van het werk, zoals de arbeidsvoorwaarden, de ontbrekende of beperkte overlegtijd, gebrek aan opties voor levenslang leren, de invloed van registratie-apps en andere technologie.
Toch konden geen van deze ervaringen die maandagblues voelbaar maken waarmee ik deze tekst begon of de voortdurende alertheid, waardoor je moeilijk kunt opgaan in een activiteit. Daarom besloot ik verhalen te vertellen waarin de lezer een dag in een kinderdagverblijf ziet door de ogen van een kinderbegeleider. Die kinderbegeleiders heb ik verzonnen, de leefgroepen waarin ze werken ook en de kinderen met wie ze samenleven evenzeer. Maar de ervaringen niet.
De kern van die ervaring ligt voor mij in het woord leefgroep. Dat woord geeft exact weer wat er gebeurt: leven in een groep, dus samenleven, met andere kinderen en begeleiders. En als alles op zijn best loopt, ontstaat er een krachtige, zorgende, democratische ruimte. Maar zelfs dan is dit voor begeleiders werk, dragen zij een grote verantwoordelijkheid én werken ze intens met elkaar samen, met een minimale overlegtijd. Ik probeerde in de verhalen tastbaar te maken hoe ik dat continue verantwoordelijkheidsgevoel ervaren heb.
Wat de verhalen ook, onrechtstreeks, vertellen, is dat samenleven, samenwerken en zorgen geen efficiënte processen zijn, en al zeker niet met jonge kinderen.
Dat hoeft ook niet, maar de roep om efficiënte zorg klinkt zo luid dat je hem ook in de leefgroep hoort. Die botsing tussen democratisch samenleven en efficiënte organisatie voelde ik heel erg. Buiten de leefgroep kun je altijd denken dat een ander deel van de organisatie efficiënter moet werken. In de leefgroep zijn het de kinderbegeleiders die efficiënter moeten zijn. Dat verhaal kunnen we keren, door de klemtoon te leggen op het samenleven. Ook daarin zit pedagogische kracht: nadenken over samenleven is ook nadenken over de wereld die we willen.
Hoe je werk ervaart, is niet beperkt tot dat werk, kon ik tot slot ontdekken vorig jaar. Mijn stap naar de kinderopvang oogstte bewondering. Ook toen het boek met beschouwingen en verhalen verscheen, bleef de lof komen. Het voelde ongemakkelijk. Waarom zou ik lof krijgen en niet de vele collega’s die jaar na jaar als kinderbegeleider werken? Als ik doordenk over de reacties, dan vraag ik me af of het beroep echt zo onderschat is als we soms denken.
Mensen zouden mijn initiatief niet moedig noemen als ze zouden geloven in het cliché van gezellig spelen met de kindjes. Dat besef staat in schril contrast met de golf aan berichten over de arbeidsmarkt die hameren op het gebrek aan goede kinderopvang. Als we met zijn allen meer goede kinderopvang willen én we weten dat de job van kinderbegeleiders lof verdient, waarop wachten we dan om verandering te brengen?
Kwaliteit
In het boek heb ik suggesties verzameld, de ene al wat experimenteler dan de andere. Eentje komt slechts onrechtstreeks aan bod maar formuleer ik hier graag als extraatje: laat ons kwaliteitsvolle kinderopvang niet alleen formuleren vanuit de impact op de kinderen en gezinnen maar ook vanuit de impact op de medewerkers. Voor mij past dat bij een wereld waarin we kijken naar betekenisvol werk en niet alleen naar het resultaat van dat werk.



Opmerkingen